Potentiële mechanismen

Het enige wat nog ontbreekt aan de veronderstelde sterke relatie tussen de consumptie van cafeïnehoudende koffie en cafeïnevrije koffie of thee en een verlaagde kans op diabetes type 2 is een plausibel mechanisme.

Speelt cafeïne een rol?

Aangezien koffie en thee in de meeste landen de belangrijkste bronnen van cafeïne zijn, is het lastig om onderscheid te maken tussen het effect van cafeïne uit koffie of thee. Aangezien cafeïnevrije koffie echter een soortgelijk verband zou vertonen, is het niet waarschijnlijk dat cafeïne een hoofdrol speelt bij het negatieve verband ten aanzien van diabetes type 2.

Paradoxaal genoeg leidt acute cafeïne-inname tot glucose-intolerantie en insuline-ongevoeligheid terwijl cafeïneconsumptie op lange termijn slechts een beperkt effect heeft op het glucosemetabolisme (Du, 2007).

Er is onderzoek gedaan naar de effecten van cafeïne onder vrouwen met of zonder zwangerschapsdiabetes. Cafeïne had geen invloed op het glucose- en insulinegehalte onder deze groep vrouwen. Cafeïne verminderde echter wel de insulinegevoeligheid bij vrouwen met zwangerschapsdiabetes (Robinson, 2009).

Andere bestanddelen in koffie

Andere koffiebestanddelen, met name antioxidanten als chlorogeenzuur en trigonelline, verlagen het glucose- en insulinegehalte op15 minuten bij orale glucosetolerantietests (OGTT). Cafeïnevrije oploskoffie liet bij deze proef geen effect zien (van Dijk, 2009).

Deze waarnemingen komen overeen met een Frans onderzoek dat meldde dat het sterkste verband werd waargenomen bij koffie die tijdens de lunch werd geconsumeerd (Sartorelli, 2010).

Koffie kan ook deels de postprandiale (na de maaltijd) hyperglycemie remmen en zo mogelijk het ontstaan van diabetes type 2 voorkomen (Yamaji, 2004). Volgens een recent cross-sectioneel multi-etnisch onderzoek onder 954 diabetesvrije volwassenen werd een positief verband aangetroffen tussen cafeïnehoudende koffie en insulinegevoeligheid, terwijl cafeïnevrije koffie de werking van bètacellen van de alvleesklier verbetert (Loopstra-Masters, 2010).

Effect op subklinische ontstekingen - een nieuwe hypothese

Een Fins onderzoek heeft de effecten onderzocht van een toenemende koffieconsumptie (eerste maand onthouding, tweede maand 4 kopjes per dag, derde maand 8 kopjes per dag) bij vrijwilligers met overgewicht tijdens een gemiddeld lange interventieproef. Tijdens de OGTT (orale glucosetolerantietests) werden geen effecten waargenomen. De koffieconsumptie leek gunstige effecten te hebben op sommige markers van subklinische ontstekingen, die als risicofactoren voor diabetes type 2 worden beschouwd (Kempf, 2010).

Vanwege zijn hoge gehalte aan componenten met antioxidantieve werking (Mattila, 2006) draagt koffie mogelijk bij aan het totale antioxidantengehalte van de voeding en zodoende aan de verlaging van de oxidatieve stress. Verondersteld wordt dat oxidatieve stress bijdraagt aan de ontwikkeling van diabetes type 2 (Psaltopoulou, 2010). Deze hypothese moet nog bevestigd worden in verder onderzoek.

Andere onderzoeksterreinen

In een Nederlands onderzoek, waarin mogelijke verklarende factoren zijn onderzocht, is geconstateerd dat magnesium, kalium, cafeïne of de bloeddruk geen rol spelen bij het verband tussen koffie of thee en diabetes type 2 (van Dierens, 2009).

Een Japans onderzoek sprak van een relatie met psychologische factoren, zoals waargenomen psychische druk bij mannen en type A-gedrag (gekenmerkt door hoge competitiedrang en geassocieerd met stress-symptomen) bij vrouwen (Kato, 2009) .

Bij een Amerikaans case-control onderzoek werd een verband aangetroffen tussen koffieconsumptie en de hoeveelheid sekshormoon bindende globuline in het plasma, die direct de intracellulaire signalering moduleert van sekshormonen, die zelf een cruciale rol spelen bij het ontstaan van diabetes type 2. Dit verband is niet aangetroffen voor cafeïnevrije koffie en thee (Goto, 2010).

In 2011 voerden onderzoekers aan de Harvard Universiteit een gerandomiseerde gecontroleerde trial uit, waarbij werd gekeken naar de effecten van cafeïnehoudende en cafeïnevrije koffie op biologische risicofactoren voor diabetes type 2. Zij vergeleken deelnemers die ofwel 5 kopjes per dag consumeerden van cafeïnehoudende oploskoffie, cafeïnevrije koffie, of geen koffie gedurende 8 weken. Vergeleken met de niet koffiedrinkers leidde het drinken van cafeïnehoudende koffie tot een verhoogde concentratie van adiponectine en interleukine-6, wat mogelijk wijst op anti-inflammatoire en insuline-sensibiliserende effecten. Consumptie van cafeïnevrije koffie leidde tot een lagere fetuïne-A concentratie, een biomarker voor ontstekingen en de leverfunctie.

Er werden geen significante verschillen gevonden tussen de groepen voor indicatoren van glucosetolerantie, insulinegevoeligheid en insuline-uitscheiding. De auteurs concludeerden dat verbeteringen in de adipocyten en de leverfunctie, zoals aangegeven door de veranderingen in adiponectine en feutin-A concentraties, kunnen bijdragen aan gunstige metabole effecten van langdurige koffieconsumptie (Wedick, 2011).

Koffieconsumptie is gerelateerd aan een verminderd risico van diabetes mellitus type 2 bij mensen met hoge niveaus van serum γ-glutamyltransferase. Een studie uit 2012 onder een Japanse populatie onderzocht het verband tussen koffie en glucosetolerantie en het effect van het serum γ-glutamyltransferase op dit verband. De auteurs concluseerden dat koffiedrinken een beschermend effect heeft op de glucose-intolerantie. Daarnaast geven ze aan dat het waargenomen mogelijke effect van serum γ-glutamyltransferase op het beschermende verband tussen koffie en diabetes type 2 verder onderzoek vereist (Hiramatsu, 2012).


Deze informatie is bedoeld voor gezondheidsprofessionals. © 2015, Kenniscentrum Koffie en Gezondheid