Gewenning

Brain mapping

De vraag of cafeïne al dan niet verslavend is, is al jarenlang punt van discussie. De stimulerende en licht versterkende eigenschappen van cafeïne zijn waarschijnlijk de reden dat mensen cafeïne blijven consumeren (Nehlig, 2004).

Mensen drinken koffie echter volgens een vast patroon. De versterkende werking van koffie is mogelijk niet te danken aan de cafeïne op zich, maar aan het aangename aroma, de smaak van koffie en de sociale interactie die koffiedrinken doorgaans met zich meebrengt (Satel, 2006).

Drugs als cocaïne, morfine en nicotine activeren specifiek het dopaminerge mesolimbische hersencircuit van de afhankelijkheid en beloning bij lage doses.

  • Bij preklinische onderzoeken is vastgesteld dat cafeïne die aan ratten werd verstrekt in doses die gelijk lagen met de menselijke consumptie (1-5 mg per kg lichaamsgewicht, ofwel 1-5 grote koppen koffie ineens) het energiemetabolisme (Nehlig, 2000) en de dopamine-afgifte (Acquas, 2002, De Luca, 2007) in dit circuit niet verhoogt.

Dit onderzoek is ook uitgebreid naar mensen.

  • Proefpersonen kregen 3 mg per kg lichaamsgewicht cafeïne, gelijk aan circa 2 grote koppen koffie. Bij metingen van de cerebrale bloedvoorziening bleek dat cafeïne net als bij ratten niet leidde tot activering van het hersencircuit van de afhankelijkheid. Wel werden gebieden geactiveerd die een rol spelen bij de aandacht, waakzaamheid en spanning (de pariëtale zone) en de gebieden die de vegetatieve functies regelen (de hypothalamus en insulaire cortex) (Nehlig, 2010b).Dit zijn de eerste resultaten van onderzoek naar afhankelijkheid bij mensen op basis van brain mapping. Ze bevestigen de preklinische data dat er geen sprake is van betrokkenheid van het afhankelijkheidscircuit bij de fysiologische effecten van cafeïne (Acquas, 2002De Luca, 2007). Anders gezegd, voldoet cafeïne volgens de brain mapping-technologie niet aan de criteria om te worden aangemerkt als verslavend middel.

Ontwenning

Een van de symptomen die verband houden met drugsafhankelijkheid is ontwenning. In 2013 heeft de American Psychiatric Association een nieuwe editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, de DSM-5, gepubliceerd. Deze voorziet in gestandaardiseerde criteria voor de classificatie van psychische stoornissen. Voor het eerst sinds de lancering in 1952 wordt 'cafeïne ontwenning' vermeld. In de handleiding wordt ontwenning van cafeïne gedefinieerd als, na langdurige dagelijkse consumptie, een symptoom als gevolg van abrupt stoppen of verminderen van cafeïne (APA, 2013).

Slechts een deel van de koffie-/cafeïneconsumerende bevolking heeft last van ontwenningsverschijnselen (hoofdpijn, verminderde alertheid en sufheid). Deze verschijnselen beginnen doorgaans zo’n 12-24 uur na het plotseling stoppen met de cafeïneconsumptie en zijn na 20-48 uur op hun hoogtepunt. Deze verschijnselen kunnen echter worden vermeden door de cafeïne-inname geleidelijk af te bouwen (Nehlig, 2004).

  • Bij een onderzoek waarbij de bloedsnelheid in de hersenen werd gemeten nadat proefpersonen gedurende twee weken waren blootgesteld aan ofwel 400 mg cafeïne (circa 4 kopjes koffie) of een placebo, werd vastgesteld dat acute cafeïne-onthouding leidde tot aanzienlijke versnelling van de bloedstroom. Dit wijst, in lijn met eerdere onderzoeken, op het verband tussen vasculaire veranderingen en de symptomem van cafeïne-ontwenning zoals hoofdpijn, sufheid en verminderde alertheid (Sigmon, 2009).
  • De inname van 250 mg cafeïne door cafeïnegebruikers (gemiddelde inname 375 mg cafeïne per dag) na 30 uur onthouding had een groter effect op de stemming en de keuzereactietijd dan een placebo (dit is de reactietijd bij taken waarbij iemand moet kiezen uit twee of meer opties). Ook leidde cafeïne tot een verhoogde selectieve aandacht en een geheugenverbetering bij zowel personen die geen cafeïne hadden geconsumeerd als personen die hun gebruikelijke consumptieniveau handhaafden. Dit suggereert dat er geen sprake is van ontwenning bij deze markers van de mentale prestaties (Addicott, 2009a).
  • Een studie uit 2012 over de rol van cafeïne op het verbeteren van prestaties concludeerde eveneens dat de gunstige effecten van cafeïne op zowel eenvoudige als complexere taken niet met wegblijven van ontwenning te maken hadden (Einother, 2012).
  • Bij een ander onderzoek (Addicott, 2009b) op basis van kwantitatieve perfusie-MRI werd geconstateerd dat de cerebrale bloedvoorziening toenam tijdens de onthoudingsperiode en afnam na cafeïne-inname. Dit gold zowel voor proefpersonen die zich onthielden van cafeïne als voor proefpersonen die cafeïne innamen. Uit dit onderzoek bleek verder dat bij zware koffiedrinkers (950 mg/dag of 9 grote koppen koffie) het cerebrovasculaire adenosinesysteem beperkt in staat is om de grote dagelijkse hoeveelheid cafeïne te compenseren. Dit onderzoek wordt echter door een aantal factoren beperkt, zoals de willekeurige classificatie van de dagelijkse cafeïneconsumptie en de mogelijke onderrapportage van ontwenningsverschijnselen.

 


Deze informatie is bedoeld voor gezondheidsprofessionals. © 2015, Kenniscentrum Koffie en Gezondheid