Neurodegeneratieve aandoeningen

In een notendop

Jarenlange regelmatige gematigde koffie-/cafeïneconsumptie (3 tot 4 gemiddelde kopjes koffie) lijkt een gunstig effect te hebben op onze cognitieve vermogens. Het voorkomt mogelijk de achteruitgang van onze cognitieve vermogens op latere leeftijd en het ontstaan van neurodegeneratieve aandoeningen zoals alzheimer en parkinson. Ook kan het zowel het risico op als de schadelijke gevolgen van een beroerte beperken. Voordat hieraan echter harde conclusies kunnen worden verbonden is nader onderzoek vereist.

Beroerte

Volgens de Wereld Hart Federatie worden wereldwijd jaarlijks 15 miljoen mensen getroffen door een beroerte. Daarvan overlijden bijna 6 miljoen mensen en raken nog eens 5 miljoen mensen blijvend invalide. Beroerte is de een na belangrijkste oorzaak van invaliditeit bij dementie. Wereldwijd is beroerte de tweede doodsoorzaak bij mensen boven de 60 jaar, en de vijfde doodsoorzaak bij mensen tussen de 15 en 69 jaar oud (World Heart Federation).

Cognitieve achteruitgang

Koffie en leeftijdsgerelateerde cognitieve achteruitgang De cognitieve functies (reactietijd en snelheid van informatieperceptie en -verwerking) blijven bij mensen tot het 60ste levensjaar min of meer stabiel en zijn daarna geneigd om tussen het 60ste en 80ste jaar fors te vertragen. Uit onderzoek blijkt zelfs dat de hersenfunctie reeds vanaf het 45e jaar kan afnemen (Singh-Manoux, 2011). Zowel het tempo als de omvang van deze cognitieve achteruitgang verschilt echter van persoon tot persoon.

Ziekte van Alzheimer

De ziekte van Alzheimer (kortweg: alzheimer) is de meest voorkomende oorzaak van dementie. Naar schatting lijdt tussen 50 en 70% van alle mensen met dementie aan deze ziekte (Alzheimer Europe, 2010).

Ziekte van Parkinson

De ziekte van Parkinson (kortweg: parkinson) is een slopende neurodegeneratieve aandoening. In Europa lijden naar schatting bijna 1,2 miljoen mensen aan deze ziekte en er worden jaarlijks zo'n 75.000 nieuwe gevallen vastgesteld (EPDA, 2011a).

Meer informatie

De cognitieve functies bij mensen blijven tot op 60-jarige leeftijd relatief stabiel en zijn daarna geneigd te verminderen, met name tussen het 60ste en 80ste levensjaar.