Cognitieve achteruitgang

Koffie en leeftijdsgerelateerde cognitieve achteruitgang

De cognitieve functies (reactietijd en snelheid van informatieperceptie en -verwerking) blijven bij mensen tot het 60ste levensjaar min of meer stabiel en zijn daarna geneigd om tussen het 60ste en 80ste jaar fors te vertragen. Uit onderzoek blijkt zelfs dat de hersenfunctie reeds vanaf het 45e jaar kan afnemen (Singh-Manoux, 2011). Zowel het tempo als de omvang van deze cognitieve achteruitgang verschilt echter van persoon tot persoon.

Een ongezonde levensstijl, vasculaire ziekten, genetische factoren, oxidatieve stress en ontstekingen versnellen de cognitieve achteruitgang en suggereren dat cognitieve achteruitgang in elk geval deels kan worden beïnvloed. Cafeïne zou deze achteruitgang deels kunnen compenseren door het verhogen van de de waakzaamheid, met name in situaties van verminderde alertheid (Ryan, 2002, Smith, 1994,Smith, 2005b).

Algemene effecten van koffie/cafeïne op de cognitie

In veel onderzoeken lijken jonge en oudere proefpersonen verschillend op de werking van cafeïne te reageren. Ook de hoeveelheid cafeïne kan van invloed zijn op het verschil in effect bij jongeren en ouderen.

Twee oudere studies bij jonge en oudere proefpersonen lieten een toename in aandacht, psychomotorische prestaties en gevoelens van welzijn door cafeïne zien in beide groepen. Ofschoon niet significant verschillend, leek cafeïne bij de ouderen meer effect op de mentale prestaties te hebben dan bij de jongere proefpersonen (Swift en Tiplady, 1988, Rees, 1999).

Bij jongere proefpersonen (18-37 jaar) is aangetoond dat cafeïne de prestaties meer verbetert terwijl ze afgeleid zijn dan tijdens de eenvoudige taken. Bij oudere personen (60-75 jaar) vebeterde cafeïne echter de prestaties tijdens complexere taken die onafgebroken aandacht vereisen. Interessant was de bevinding dat het verbeteren van de prestaties tijdens complexe taken meestal minder effectief is bij oudere proefpersonen dan bij jongere deelnemers (Hogervorst, 1998).

Cafeïne lijkt bij ouderen meer energie voor cognitieve functies beschikbaar te maken (Lorist, 1995).

Een Brits onderzoek onder 9.003 volwassen proefpersonen meldde een dosisgerelateerde verbetering in de cognitieve prestaties bij verhoogde koffieconsumptie. Bij de inname van meer cafeïne (via koffie en thee) trad verbetering op van de simpele reactietijd en keuzereactietijd, het incidenteel verbaal geheugen en het visuospatieel redeneren. Ouderen leken gevoeliger te zijn voor de prestatie verhogende werking van cafeïne op de mentale prestaties dan jongere proefpersonen (Jarvis, 1993).

Een aanvullend prospectief cohortonderzoek, gepubliceerd in 2014 van de Baltimore Longitudinal Study of Aging, suggereerde ook dat inname van cafeïne werd geassocieerd met een betere basiscognitie bij volwassenen ouder dan 70 jaar (Beydoun, 2014). Twee Nederlandse studies onder proefpersonen tussen de 24-81 jaar troffen echter ook positieve effecten van cafeïne aan op de cognitie, met name de reactietijd enhet verbaal geheugen, maar geen leeftijdsgerelateerde verschillen (Hameleers, 2000, Van Hooren, 2005).

Ook andere koffiebestanddelen leiden mogelijk tot betere cognitieve prestaties bij oudere volwassenen. Een recent pilotonderzoek onder 39 gezonde deelnemers tussen 53 en 79 jaar toonde aan dat cafeïnevrije koffie verrijkt met chlorogeenzuren tot een verbeterde stemming en sommige stemmingsgerelateerde gedragingen leidde ten opzichte van gewone cafeïnevrije koffie. Het effect was minder sterk dan het effect van cafeïne, maar toont desondanks de potentiële cognitiegerelateerde activiteit van chlorogeenzuren en vereist nader onderzoek (Cropley, 2011).

Effecten van koffie/cafeïne op de cognitieve achteruitgang

Recente onderzoeken wijzen uit dat regelmatige koffie-/cafeïneconsumptie de cognitieve reserves bij ouderen – en met name bij vrouwen - in enige mate kan stimuleren.

In een meta-analyse van negen onderzoeken, waarbij werd gekeken naar de effecten van koffie/cafeïne op de cognitieve beperking en/of achteruitgang (vier onderzoeken naar de ziekte van Alzheimer, twee naar dementie of cognitieve beperking en drie naar cognitieve achteruitgang) werd een verlaagd risico op de cognitieve achteruitgang in geval van cafeïneconsumptie waargenomen (gemiddelde relatieve risico 0,84) (Santos, 2010a). Hoewel de uitkomst van deze meta-analyse varieerde van cognitieve achteruitgang tot de ziekte van Alzheimer bleek uit de analyses een beschermende rol voor koffie. Hierbij dient echter te worden vermeld dat het aantal studies in deze meta-analyse beperkt was.

Een ander artikel, gepubliceerd in 2013, vond slechts zes prospectieve studies die verder onderzoek naar de daling over het gehele spectrum van de cognitie aanbevelen. De publicatie suggereerde dat, in alle studies over thee en in de meeste over koffie, schattingen van cognitieve achteruitgang lager waren bij koffie- en theedrinkers, maar er was geen bewijs van een dosis-respons relatie. Wel was er sprake van een sterker effect bij vrouwen dan bij mannen (Arab, 2013).

Het Rancho Bernardo-onderzoek onder 1.538 proefpersonen - 890 gezonde vrouwen en 638 gezonde mannen uit het zuiden van Californië (gemiddelde leeftijd 73 jaar) - meldde dat een hogere jarenlange koffieconsumptie gepaard ging met significant betere prestaties bij vrouwen in 6 van de 12 cognitietesten, en dat bij twee andere testen een tendens hiertoe werd waargenomen. Bij vrouwen van 80 jaar en ouder werd jarenlange koffieconsumptie bij elf van de twaalf testen in verband gebracht met verhoogde prestaties. Ook de huidige consumptie van cafeïnehoudende koffie werd in verband gebracht met verhoogde prestaties. Er werd geen verband aangetroffen tussen de koffieconsumptie en cognitieve functies bij mannen, noch tussen de consumptie van cafeïnevrije koffie en de cognitieve functie bij beide geslachten (Johnson-Kozlow, 2002).

Bij het longitudinaal prospectief Three City-cohortonderzoek onder 4.197 gezonde vrouwen en 2.820 gezonde mannen ouder dan 65 jaar vertoonden vrouwen die gedurende vier jaar meer dan drie kopjes cafeïnehoudende koffie per dag dronken een lichtere achteruitgang in het verbaal geheugen en het visuospatieel geheugen dan vrouwen die maximaal één kopje koffie per dag dronken. De beschermende werking van cafeïne nam toe naarmate de leeftijd vorderde en het effect was maximaal bij vrouwen boven de 80 jaar. Er werd geen verband waargenomen tussen cafeïne-inname en cognitieve achteruitgang bij mannen (Ritchie, 2007).

Ook in een cohort van 648 mensen van 65 jaar in Portugal werd consumptie van > 62 mg cafeïne per dag, ongeveer één kopje of meer, versus < 22 mg per dag in verband gebracht met een lagere kans op cognitieve achteruitgang bij alleen de vrouwen (Santos, 2010b).

In een ander onderzoek, onder 4.809 deelnemers van 65 jaar en ouder, werd gekeken naar het verband tussen thee-en koffieconsumptie en veranderingen in de cognitieve functie per geslacht. De cognitieve prestaties werden jaarlijks tot negen keer beoordeeld door middel van een reeks Mini Mental-State Examinations (MMSE's). Gedurende de follow-up periode van gemiddeld 7,9 jaar gingen proefpersonen die geen thee of koffie dronken jaarlijks mentaal 1,3 punt (vrouwen) en 1,11 punt (mannen) achteruit op de standaardscores. In volledig aangepaste modellen verlaagde de consumptie van koffie, thee of cafeïne het tempo van de cognitieve achteruitgang bij vrouwen licht en werd bij mannen geen consistent effect aangetroffen (Arab, 2011).

Bij een ander prospectief onderzoek onderzocht men de cognitieve achteruitgang gedurende tien jaar bij 676 gezonde mannen geboren tussen 1900 en 1920 in drie Europese landen (Finland, Italië en Nederland). Bij de koffiedrinkende mannen vond in tien jaar een cognitieve achteruitgang plaats van 4%. Bij de niet-koffiedrinkers kwam hier nog 4,7% achteruitgang bovenop. De auteurs meldden een inverse en J-curve vormig verband tussen het aantal geconsumeerde kopjes koffie en de mate van cognitieve achteruitgang. De laagste cognitieve achteruitgang (2%) werd gemeld bij 3 kopjes koffie per dag. Deze achteruitgang was 4,3 maal kleiner dan bij niet-koffiedrinkers (Van Gelder, 2007).

Een cohortonderzoek onder 923 gezonde volwassenen uit Schotland (Lothian Birth Control 1936 Study) heeft gekeken naar het IQ van kinderen op elfjarige leeftijd en de latere cognitieve functie op 70-jarige leeftijd. De auteurs troffen verbanden aan tussen de totale cafeïne-inname (via koffie, thee en andere  voedingsmiddelen) en het algemene cognitieve vermogen en geheugen. Na aanpassing aan de hand van het IQ op 11-jarige leeftijd en maatschappelijke klasse bleek een duidelijk positief verband tussen het drinken van filterkoffie of espresso en de leesprestaties. In tegenstelling tot eerdere onderzoeken werden geen geslachtsgebonden verschillen waargenomen (Corley, 2010).

Uit een algemene enquête in Taiwan bleek dat onder alle onderzochte levensstijlen sprake was van een omgekeerd verband tussen cognitieve beperkingen en de consumptie van groenten, fruit, koffie en thee. De auteurs meenden dat de proefpersonen die geen koffie dronken aanzienlijk meer risico liepen op een cognitieve beperking (Wu, 2011).

Verder onderzoek als onderdeel van de Women's Antioxidant Cardiovascular Study toonde aan dat de consumptie van cafeïnehoudende koffie, maar niet van andere cafeïnehoudende producten zoals thee, cola en chocolade,  significant was gerelateerd met een tragere cognitieve achteruitgang bij oudere vrouwen met vaataandoeningen (Vercambre, 2013).

De effecten van koffie/cafeïne op de cognitieve achteruitgang vragen om meer aandacht ter verheldering waarom bij sommige onderzoeken slechts bij een van beide geslachten effecten werden aantroffen.


Deze informatie is bedoeld voor gezondheidsprofessionals. © 2015, Kenniscentrum Koffie en Gezondheid