Ziekte van Alzheimer

Achtergrond

De ziekte van Alzheimer (kortweg: alzheimer) is de meest voorkomende oorzaak van dementie. Naar schatting lijdt tussen 50 en 70% van alle mensen met dementie aan deze ziekte (Alzheimer Europe, 2010). Bovendien lijdt circa één op de twintig personen ouder dan 65 aan alzheimer, tegenover minder dan één op de duizend jonger dan 65 (Alzheimer Europe, 2009). Ongeveer 26 miljoen mensen lijden aan alzheimer. Tegen 2025 zal het percentage mensen ouder dan 65 in de EU naar verwachting zijn gestegen van 15,4% naar 22,4%. Dit zal waarschijnlijk gepaard gaan met een toename van het aantal gevallen van alzheimer (Alzheimer Europe, 2010).

In 2014 publiceerde Alzheimer Europe een geactualiseerde review van rapporten over de prevalentie van dementie. De auteurs concludeerden dat voor de meerderheid van de leeftijdsgroepen de prevalentie van dementie niet significantis  veranderd in de afgelopen decennia. Echter, zij vermeldden wel een hogere prevalentie bij oudere vrouwen dan eerder werd aangenomen (Alzheimer Europe, 2014).

Deze neurodegeneratieve aandoening gaat gepaard met progressieve cognitieve achteruitgang en ophoping in de hersenen van ß-amyloïdepeptide (Aß). Sommige vormen van alzheimer zijn te wijten aan mutaties van de coderende genen voor de voorloper van Aß, preseniline-1 en -2. Genetische factoren en omgevingsfactoren beïnvloeden elkaar, en de schadelijke dan wel beschermende invloed van deze aanvullende factoren is nog grotendeels onbekend.

Koffie, cafeïne en het risico op de ziekte van Alzheimer

De meeste epidemiologische onderzoeken wijzen erop dat jarenlange regelmatige koffie-/cafeïneconsumptie kan leiden tot een verlaagde kans op alzheimer, vooral bij ouderen. Koffie/cafeïne lijkt met name vóór het ontstaan van de ziekte een gunstige werking te hebben, d.w.z. gedurende de premorbide fase.

Een case-control studie uit 2012 suggereerde een beschermende rol van cafeïne tegen alzheimer. De resultaten lieten zien dat koffie/cafeïneconsumptie wordt geassocieerd met een verlaagd risico, of vertraagd begin van dementie, met name bij mensen met geringe cognitieve stoornissen (Cao, 2012).

Bij een eerste meta-analyse van de effecten van koffie/cafeïne op alzheimer werd gekeken naar vier onderzoeken (twee case-control en twee cohortonderzoeken) tussen 1990 en 2002 (Maia & de Mendonça, 2002, Lindsay, 2002, Broe, 1990, Tyas, 2001). Hieruit bleek een duidelijke beschermende werking vanuit koffieconsumptie.Tussen de onderzoeken bestond echter grote heterogeniteit (Barranco Quintana, 2007).

In een andere meta-analyse van het verband tussen koffie-/cafeïneconsumptie en het risico op alzheimer kwam het relatieve risico op alzheimer uit op 0,80-0,83 na correctie voor roken en hypertensie (Santos, 2010a).

Van de meest prominente onderzoeken bleek uit een case-control onderzoek onder 54 patiënten en 54 controleproefpersonen van dezelfde leeftijd en gelijk geslacht, dat cafeïneconsumptie (199 mg bij controleproefpersonen versus 74 mg bij patiënten) omgekeerd in verband werd gebracht met alzheimer (relatief risico 0,40), los van andere verstorende variabelen (Lammi, 1989).

Bij een ander onderzoek naar risicofactoren voor alzheimer werden 4.615 proefpersonen gedurende ruim 5 jaar gevolgd (194 gevallen van alzheimer en 3.894 cognitief 'normale' controleproefpersonen). De conclusie luidde dat het gebruik van niet-steroïdale ontstekingsremmers, het drinken van wijn, koffie en regelmatige lichaamsbeweging in verband werden gebracht met een verlaagde kans op alzheimer (relatief risico voor koffie 0,69). Opvallend was dat bij dit onderzoek geen beschermende werking bleek onder theedrinkers (Lindsay, 2002).

Ook werd een verband aangetroffen tussen lage koffieconsumptie en mentale achteruitgang na een follow-up periode gedurende 25 jaar onder 716 Finse mannen (Lammi, 1989).

Bij een ander onderzoek werden 1.409 personen tussen 65 en 79 jaar onderzocht die 21 jaar waren gevolgd. Koffieconsumptie op middelbare leeftijd werd geassocieerd met een lager risico op alzheimer en dementie bij ouderen, met de laagste kans (65% lager) onder mensen die 3 tot 5 kopjes per dag dronken (Eskelinen, 2009).

Een Fins onderzoek deed een meting naar de cognitieve status na een gemiddelde follow-up periode van 28 jaar. Hierbij werd koffieconsumptie niet in verband gebracht met de cognitieve prestaties of dementie op latere leeftijd (Laitala, 2009).

Tot slot werd bij de Honolulu-Asia Aging Study geen verband aangetroffen tussen koffieconsumptie en dementie of cognitieve beperking op middelbare leeftijd (deelnemers tussen 51 en 53 jaar) (Gelber, 2011).

Werkingsmechanisme van cafeïne

Uit verschillende dierproeven komen mogelijke werkingsmechanismen naar voren voor het effect van koffie/cafeïne op het risico op alzheimer.

Bij één onderzoek leidde cafeïne in het drinkwater van transgene muizen, rond acht maanden oud en met alzheimerachtige symptomen, tot een beter leervermogen en geheugen, en verlaging van de concentratie Aß-peptide en preseniline in de hippocampus, de hersenstructuur die de grootste rol speelt bij het geheugen (Arendash, 2006).

Deze effecten werden ook aangetroffen wanneer de cafeïnebehandeling pas laat werd opgestart, d.w.z. zodra de muizen reeds last hadden van cognitieve tekortkomingen. Cafeïne leek de ontstekingsmediatoren te remmen (Arendash, 2009, Cao, 2009).

Cafeïnehoudende koffie verhoogde het plasmagehalte van de granulocyte-colony stimulerende factor (G-CSF), die de cognitieve prestaties van transgene muizen met alzheimer via meerdere mechanismen lijkt te verbeteren, zoals aantrekking van beenmergcellen, verhoogde synaptogenese en verhoogde neurogenese. Dit effect werd niet waargenomen  met een cafeïneoplossing of met cafeïnevrije koffie. De hypothese van de auteurs luidde dat cafeïne mogelijk in wisselwerking staat met een ander koffiebestanddeel en zo selectief G-CSF verhoogt (Cao, 2011).

Cafeïne is mogelijk ook op een ander niveau actief. In een onderzoek leidde langdurige consumptie van cafeïne in het drinkwater bij ratten tot verhoogde aanmaak van de cerebrospinale vloeistof (CSF) en de cerebrale bloedstroom, die direct invloed heeft op de aanmaak van CSF37. Een gebrekkige CSF-aanmaak en -opbrengst, met verminderde afbraak van Aß, kan een mechanisme zijn dat een rol speelt bij het ontstaan van alzheimer (Arendash, 2006). Dit kan deels de verklaring zijn voor de door cafeïne geïnduceerde afname van het Aß-peptidegehalte in de hersenen, hoewel nog niet bekend is of dit effect zich ook bij mensen voordoet (Han, 2009, Wostyn, 2011).

Een rol voor andere koffiebestanddelen

Er is ook onderzoek gedaan naar andere koffiebestanddelen die mogelijk een rol spelen bij het gunstige effect van koffie op het risico op alzheimer.

Uit diverse dierproeven blijkt dat trigonelline mogelijk over neurobeschermende eigenschappen beschikt en achteruitgang van het geheugen voorkomt (Tohda, 2005a,Tohda, 2005b,Kim, 2004).

De polyfenol-antioxidant ferulazuur in koffie, die via het drinkwater aan muizen is toegediend, blijkt te beschermen tegen cognitieve achteruitgang, met name het spatieel en werkgeheugen, onderdrukt ontstekingen en voorkomt verlies van acetylcholine uit de hersenschors - allen factoren die de ziekte kenmerken (Cho, 2005).

Een groeiend aantal experimentele onderzoeken en wetenschappelijke onderzoeken onder mensen wijst op de potentieel beschermende rol van cafeïne - en mogelijk ook andere koffiebestanddelen, zoals antioxidanten of ontstekingsremmende stoffen - bij de ontwikkeling van alzheimer. Voordat hieraan harde conclusies kunnen worden verbonden is echter nader onderzoek vereist naar de verschillende koffiebestanddelen die hierbij een rol lijken te spelen en hun werkingsmechanismen.


Deze informatie is bedoeld voor gezondheidsprofessionals. © 2015, Kenniscentrum Koffie en Gezondheid