Ziekte van Parkinson

Achtergrond

De ziekte van Parkinson (kortweg: parkinson) is een slopende neurodegeneratieve aandoening. In Europa lijden naar schatting bijna 1,2 miljoen mensen aan deze ziekte en er worden jaarlijks zo'n 75.000 nieuwe gevallen vastgesteld (EPDA, 2011a). De ziekte van Parkinson ontstaat doorgaans na het 60ste levensjaar, maar bij naar schatting één op de tien mensen wordt het reeds vóór het 50ste jaar vastgesteld. Parkinson komt iets vaker voor bij mannen dan bij vrouwen (EPDA, 2011b).

De belangrijkste kenmerken parkinson zijn vertraging van de bewegingen, trillen in rusttoestand, spierstijfheid, een verstoord looppatroon en evenwichtsverlies. Het onderliggende pathologische mechanisme is de progressieve afbraak van dopaminergische neuronen in de middenhersenen. Er is momenteel geen behandeling ter voorkoming of vertraging van dit neuronenverlies en de daaruit voortvloeiende afname van dopamine in de middenhersenen.

Experimentele en epidemiologische onderzoeken richten zich op leefstijl, voedingspatroon, waaronder koffieconsumptie, en omgevingsrisicofactoren.

Koffie, cafeïne en het risico op de ziekte van Parkinson

Een groot aantal epidemiologische onderzoeken maakt melding van een omgekeerd dosisafhankelijk verband tussen koffiecafeïneconsumptie en het risico op parkinson. Koffieconsumptie lijkt het ontstaan van parkinson te verminderen of vertragen; cafeïne is hierbij de meest waarschijnlijke causale factor. Bij vrouwen vereist de interactie tussen cafeïne en hormoonbehandeling echter nog verdere opheldering.

Reeds in 1968 meldde een onderzoek een hoger percentage niet-koffiedrinkers in de controlegroep vergeleken met de getroffen groep (Nefzger, 1968).

Bij volgende onderzoeken in Spanje (Jimenez-Jimenez, 1992), Zweden (Fall, 1999) en Duitsland (Hellenbrand, 1996) werd een omgekeerd verband waargenomen tussen koffieconsumptie en parkinson en een lagere koffieconsumptie vóór het ontstaan van de ziekte.

Het eerste prospectieve onderzoek onder 8.004 Japans-Amerikaanse mannen in Hawaï (het Honolulu Heart Program), die gedurende gemiddeld 27 jaar werden gevolgd, trof een omgekeerd verband aan met de incidentie van parkinson, waarbij het risico bij mannen die meer dan 4 kopjes koffie per dag dronken 5x lager was dan bij niet-koffiedrinkers. Ditzelfde omgekeerde verband werd aangetoond voor cafeïne vanuit andere bronnen dan koffie (Webster Ross, 2000).

Een case-control studie uit 2014 suggereerde alleen een zwak invers verband tussen koffieconsumptie en het risico op parkinson (van der Mark, 2014).

Twee meta-analyses van respectievelijk 20 en 26 onderzoeken meldden dat het wereldwijde risico op het ontstaan van parkinson 31% (relatief risico 0,69), en 25% (relatief risico 0,75) lager lag dan bij koffiedrinkers dan bij niet-koffiedrinkers (Costa, 2010). Bij sommige onderzoeken was sprake van een zeer sterke risicoverlaging, tot 80% bij een consumptie van meer dan 4 kopjes koffie per dag. De tweede meta-analyse meldde dat het algehele risico op parkinson met 24-32% daalde per 300 mg verhoging in de cafeïneconsumptie (circa 3 kopjes koffie). Deze gegevens bevestigen een omgekeerd verband tussen cafeïneconsumptie en het risico op parkinson (Hernan, 2002, Costa, 2010).

In een andere meta-analyse uit 2013 werd een lineaire relatie aangetroffen tussen een verlaagd risico op parkinson en het drinken van thee of koffie. De associatie met koffie werd echter pas bereikt bij ongeveer 3 kopjes koffie per dag (Qi, 2014).

Bij vrouwen zijn de gegevens minder eenduidig. Bij één onderzoek werd een U-vormig verband aangetroffen, waarbij een matige koffie-/cafeïneconsumptie als meest beschermend gold (Ascherio, 2001).

Een ander onderzoek onder 77.713 vrouwen die gedurende 18 jaar werden gevolgd, meldde dat bij vrouwen, die geen postmenopauzale hormonen gebruikten, koffie even goed beschermde tegen parkinson als bij mannen. Bij vrouwen die oestrogenen namen, was het risico op parkinson gelijk aan mannen in geval van lage koffieconsumptie, maar was het 4x hoger bij vrouwen die 6 of meer kopjes koffie per dag dronken vergeleken met niet-koffiedrinkers (Ascherio, 2003).

Een case-control onderzoek in het kader van de Nurses' Health Study (NHS) en de Health Professionals Follow-up Study (HPFS) trof geen overtuigend bewijs aan dat variaties in de coderende genen voor het metabolisme van cafeïne (CYP1A2 en NAT2) of oestrogeenreceptoren (ESR1 en ESR2) het risico op parkinson zouden kunnen voorspellen gekoppeld aan een hormoonvervangende therapie (Palacios, 2010).

Een gerandomiseerde controle studie, gepubliceerd in 2012, evalueerde de effecten van cafeïne-inname op de symptomen van parkinson zoals slaperigheid overdag, motorische stoornissen en niet-motorische functies. De resultaten toonden een verbeterde motorische functie aan, maar er waren geen eenduidige resultaten van cafeïne op slaperigheid bij parkinson; meer onderzoek is nodig (Palacios, 2012).

Een onderzoek onder 304.980 deelnemers aan de National Institutes of Health-AARP Diet and Health Study suggereerde dat een hogere inname van cafeïne in verband werd gebracht met een lager risico op parkinson bij zowel mannen als vrouwen. De auteurs voerden een meta-analyse uit van prospectieve studies en bevestigden dat inname van cafeïne omgekeerd werd geassocieerd met het risico op parkinson bij zowel mannen als vrouwen. Daarnaast stelden zij dat er geen verschillen bleken in geslacht in de relatie tussen cafeïne en parkinson (Liu, 2012).

Tevens werd in 2012 een prospectieve studie gepubliceerd die eerdere bevindingen bevestigt dat een cafeïne een beschermend effect heeft op het risico op parkinson, met een iets minder groot effect in geval van hormoonvervangende therapie bij vrouwen. Consumptie van cafeïnevrije koffie werd niet geassocieerd met een verlaagd risico op parkinson (Postuma, 2012).

Werkingsmechanisme

Aan de hand van experimentele onderzoeken is een werkingsmechanisme afgeleid voor de preventieve rol van cafeïne bij het ontstaan van de ziekte van Parkinson.

Lage doses cafeïne blokkeren met name de adenosine A2A-receptoren, die zich met dopaminergische D2-receptoren bevinden in het striatum; dit is het gebied in de hersenen betrokken bij de regeling van de locomotie (voortbeweging) en beweging, en waar de dopaminergische neurontransmissie bij mensen met parkinson drastisch is beperkt. Deze blokkade van A2A-receptoren in het striatum verhoogt de motorische activiteit en verbetert de motorische tekorten door het stimuleren van D2-receptoren (Kuwana, 1999,  Fenu & Morelli, 1998).

Bij dieren bestrijdt cafeïne de symptomen van parkinson en vergroot het de werking van de klassieke behandeling van parkinson, de voorloper van dopamine, L-DOPA57 (Chen, 2001, Morelli, 2009).

Gegevens, afkomstig uit diverse preklinische onderzoeken, wijzen op de gunstige effecten van chronische A2A-receptor antagonisten (zoals cafeïne) op de motorische beperking bij parkinson en op motorische complicaties als gevolg van langdurige behandeling met L-DOPA. Dit suggereert dat deze effectief zijn bij de behandeling van de symptomen van parkinson (Qi, 2014).

Bovendien hebben de A2A-antagonisten, waaronder cafeïne en D2-agonisten, neurobeschermende eigenschappen en kunnen deze de degeneratie van dopaminergische cellen in diverse dierenmodellen verminderen (Costa, 2010Lida, 1999).


Deze informatie is bedoeld voor gezondheidsprofessionals. © 2015, Kenniscentrum Koffie en Gezondheid