De foetus

Cafeïne en foetale groei

Onderzoeken naar cafeïne en vertraging van de foetale groei leveren geen eenduidige resultaten op: 6 van de 17 studies toonden geen effecten op de groei, terwijl 7 studies aanwijzingen vonden voor groeivertraging bij een toenemende cafeïne-inname, echter de rol van verstorende factoren kon hierbij niet vastgesteld worden. Vier studies hielden geen rekening met zwangerschapssignalen. In 7 van de positieve studies bleek de mate van groeiachterstand klinisch insignificant (Peck, 2010, Brent, 2011).

Een van de grotere studies opgenomen in de review was de Nederlandse Generation R Study, een prospectief cohortonderzoek onder 7,346 zwangere vrouwen. Hierin werden geen consistente verbanden aangetoond tussen cafeïne-inname en de hoofdomtrek of het geschatte gewicht van de foetus. Een hogere cafeïne-inname (meer dan 540 mg cafeïne per dag) werd in verband gebracht met een kortere lengte bij de geboorte, wat mogelijk een aanwijzing kan zijn dat de foetale groei door cafeïne wordt gehinderd. Er is echter nader onderzoek vereist naar deze verbanden onder niet-Europese bevolkingsgroepen en de mogelijke postnatale gevolgen van de waargenomen foetale groeibeperking (Bakker, 2010).

Resultaten van een groot prospectief cohortonderzoek waarin de belangrijkste cafeïnebron koffie was, lieten zien dat koffie, maar niet cafeïne, geassocieerd werd met een marginaal verhoogde zwangerschapsduur en niet met  spontane vroeggeboorte. Echter, de inname van cafeïne werd consistent geassocieerd met een lager geboortegewicht en een verhoogde kans op een kleinere baby voor de zwangerschapsduur (Sengpiel, 2009) .

De Committee Opinion van het American College of Obstetricians and Gynecologists uit 2010 vermeldde dat het verband tussen cafeïne en groeivertraging niet vaststaat (Pollack, 2010).

Cafeïne en aangeboren afwijkingen

Brent e.a (Brent, 2011) concluderen in hun risicoanalyses dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de gebruikelijke of zelfs hoge inname van cafeïne het risico op aangeboren afwijkingen verhoogt. Op enkele uitzonderingen na is uit onderzoeken geen verhoogd risico op misvormingen gebleken bij hogere cafeïneconsumptie.

Eén publicatie noemde een licht positief verband tussen cafeïneconsumptie door vrouwen tijdens de zwangerschap en spina bifida (neuralebuisdefect of open rug), echter zonder dosis-effectrelatie en met een negatief verband voor thee. Er is echter onvoldoende gekeken naar verstorende factoren zoals roken en alcohol (beide alleen ja/nee-antwoorden) (Schmidt, 2009).

Een ander patiënt-controle onderzoek, met een groep van 776 zwangere vrouwen en 8.756 controlepersonen, heeft gekeken naar het risico op spina bifida en roken, alcohol- en koffieconsumptie door de moeder tijdens de eerste maand van de zwangerschap. Hieruit bleek dat de hoeveelheid sigaretten (1-9 en ≥ 10 / dag), alcoholconsumptie (gemiddeld ≥4 drankjes / dag) en cafeïne-inname (<1, 1, en ≥ 2 kopjes / dag) mogelijk niet worden geassocieerd met een verhoogd risico op spina bifida (Benedum, 2013). Dezelfde onderzoeksgroep maakte melding van het feit dat genetische variaties, zoals snelle/trage verwerking van cafeïne, mogelijk verschillende risico’s opleveren (Schmidt, 2010).

Een studie uit 2011 op basis van de gegevens uit de National Birth Defects Prevention Study, onderzocht de samenhang tussen cafeïne-inname (uit koffie, thee, frisdrank en chocolade) en het risico op een aantal aangeboren afwijkingen. In dit cohort waarin 3,346 zwangeren gematched werden met 6,642 controlepersonen, werd geen overtuigend bewijs gevonden voor een verband tussen cafeïne-inname en aangeboren afwijkingen (Browne, 2011). In een andere studie, eveneens op basis van gegevens uit de National Birth Defects Prevention Study, werd de relatie tussen cafeïne-inname en aangeboren afwijkingen aan ledematen bestudeerd. In deze studie met 844 cases en 8,069 controlepersonen, werd een hoge frisdrankconsumptie in verband gebracht met een verhoogd risico op longitudinale afwijkingen in de ledematen. Koffie- en theeconsumptie bleken niet geassocieerd te zijn met aangeboren afwijkingen aan ledematen (Chen, 2012).

Cafeïne en foetale sterfte

Er zijn vier studies waarin de cafeïne-inname in relatie tot foetale sterfte is onderzocht. Alle vier worden toegelicht in een uitgebreide review uitgevoerd tussen 2000 en 2009 (Peck, 2010). Drie van deze studies zijn door dezelfde onderzoeksgroep uitgevoerd, twee daarvan vonden een geringe positieve relatie en één vond geen relatie. De vierde studie vond ook een positieve relatie. Geen van de vier studies heeft rekening gehouden met zwangerschapssignalen. Net als bij het onderzoek naar miskramen dient bij de interpretatie van de onderzoeken naar cafeïne en foetale sterfte te worden overwogen of ook hierbij sprake is van bias, welke het waargenomen verband met cafeïneconsumptie mogelijk verklaren (Peck, 2010).

Cafeïne en kinderen met acute leukemie

Een meta-analyse, uitgevoerd om de samenhang te onderzoeken tussen de consumptie van koffie door de aanstaande moeder tijdens de zwangerschap en acute leukemie (AL) bij kinderen, werd gepubliceerd in 2014. De PubMed database is gebruikt om studies te zoeken tot mei 2013 en 7 case-control studies werden opgenomen. De consumptie van koffie was gebaseerd op zelf-gerapporteerde innames en ging terug naar 15 jaar geleden. Geen andere cafeïnebronnen (bijvoorbeeld frisdrank of thee) werden geanalyseerd. In vergelijking met niet koffiedrinkers of drinkers van kleine hoeveelheden, was de gecombineerde odds ratio over de relatie van de koffieconsumptie door de moeder tijdens de zwangerschap en acute kinderleukemie (AL) 1,22 (95% BI, 1,04-1,43) voor koffiedrinkers, 1,16 (95% BI, 1,00-1,34) voor laag tot matige koffiedrinkers, en 1,72 (95% BI, 1,37-2,16) voor drinkers van hogere hoeveelheden. Toen analyse werd uitgevoerd door subtypes van AL, werd koffieconsumptie door de moeder (high-level drinkers versus niet drinkers of lage hoeveelheden) statistisch significant geassocieerd met kinder AL (1.65; 95% CI, 1,28-2,12) en kinderen met acute myeloïde leukemie (AML) (1,58; 95% BI, 1,20-2,08). De auteurs namen een lineaire dosis-respons relatie waar voor koffieconsumptie en kinder AL (P-lineariteit = .68), waaronder kinder AL en kinder AML, waarbij geldt dat een verhoogde koffieconsumptie geassocieerd werd met een verhoogd risico op acute kinderleukemie AL.

De auteurs concludeerden dat 'uit de uitkomsten van de meta-analyse blijkt dat koffieconsumptie door de moeder tijdens de zwangerschap het risico op kinderleukemie (AL) kan toenemen.' Tegelijkertijd benadrukken ze dat er dringend, vanwege het beperkt aantal studies op dit gebied, verdere prospectieve studies nodig zijn om de nadelige gevolgen te onderzoeken van koffieconsumptie in relatie tot AL (Cheng, 2014). Verder is het ook moeilijk om conclusies te trekken uit deze studie vanwege een gebrek aan betrouwbare consumptiedata.


Deze informatie is bedoeld voor gezondheidsprofessionals. © 2015, Kenniscentrum Koffie en Gezondheid