Zwangerschap

Cafeïne-inname vroeg in de zwangerschap

Een cruciaal aspect bij het vaststellen van de cafeïne-iname is het belang van de meting van cafeïneconsumptie gedurende de eerste periode en het registreren van veranderende innamepatronen gedurende de zwangerschap. Cafeïneconsumptie neemt tijdens de eerste weken van de zwangerschap vaak af. Dit valt samen met de toenemende zwangerschapssymptomen en aversies tegen bepaalde smaken en geuren (Peck, 2010).

Zwangerschapssymptomen, waaronder aversies tegen smaken en geuren, misselijkheid en braken, komen vaak voor bij gezonde normale zwangerschappen en minder vaak bij vrouwen bij wie de zwangerschap eindigt in een miskraam. Dit verband wordt toegeschreven aan het sterkere zwangerschapssignaal dat is gekoppeld aan hogere concentraties zwangerschapshormonen bij levensvatbare zwangerschappen.

Cafeïneconsumptie blijkt af te nemen bij toenemende zwangerschapssymptomen tijdens de eerste weken van de zwangerschap (Peck, 2010). Zo meldde Lawson et al. (Lawson, 2004) dat misselijkheid, braken en het gebrek aan eetlust gemiddeld plaatsvond tussen 5 en 6 weken na de laatste menstruatie, terwijl de cafeïne-inname vanuit koffie tegelijkertijd daalde met 59 procent tussen week 4 en 6. Hieruit kan geconcludeerd worden dat vrouwen met een normale, goed verlopende zwangerschap hun cafeïne-inname eerder zullen verlagen in reactie op de zwangerschapssignalen dan vrouwen die een miskraam krijgen, en dat een verminderde cafeïneconsumptie mogelijk als een gevolg van een goed verlopende zwangerschap kan worden gezien dan da teen verhoogde cafeïneconsumptie tot zwangerschapscomplicaties leidt (‘omgekeerde causaliteit’).

Gegevens uit de Caffeine and Reproductive Health (CARE) studie (Verenigd Koninkrijk) werden gebruikt om de relatie tussen misselijkheid en braken tijdens de zwangerschap, de consumptie van cafeïne tijdens de zwangerschap en foetale groeivertraging te onderzoeken. Er kon geen direct bewijs van een relatie worden gevonden. Een sterk punt van deze studie is een grondige analyse van de cafeïneconsumptie, echter het lage responspercentage (20%) is een punt van zorg en een selectiebias kan niet worden uitgesloten (Chen, 2014).

Eén studie beschrijft patronen van cafeïneconsumptie voor en na de zwangerschap in een cohort van 8,347 Amerikaanse vrouwen die kort daarvoor waren bevallen (Chen, 2014). De door de toekomstige moeder zelf-gerapporteerde consumptie van cafeïnehoudende dranken (koffie, thee en frisdrank) en chocolade gedurende het jaar vóór de zwangerschap werd voor de studie gebruikt voor het schatten van de inname van cafeïne. De cafeïnehoeveelheden van vóór de zwangerschap werden ingedeeld naar de kenmerken van de moeder. Geregistreerde veranderingen in de consumptie van cafeïne van voor en na de zwangerschap werden ook onderzocht op kenmerken van de moeder en de zwangerschap. Gecorrigeerde prevalentieratio's werden geschat om factoren, die het meest geassocieerd zijn met een verandering in consumptie, te kunnen beoordelen. Ongeveer 97% van de moeders gaven aan cafeïne te hebben geconsumeerd (gemiddelde inname van 129,9 mg/dag in het jaar voorafgaand aan de zwangerschap); frisdrank was de belangrijkste bron van cafeïne. Het aandeel van de moeders die een cafeïne-inname van meer dan 300 mg/dag rapporteerden was significant hoger bij degenen die rookten of alcohol dronken. De meeste moeders stopten of verlaagden hun consumptie van cafeïnehoudende dranken tijdens de zwangerschap. Een hoge cafeïne-inname werd geassocieerd met risicofactoren voor een ongunstig verloop van de zwangerschap. De auteurs bevelen verder onderzoek aan om de beoordeling van de cafeïne-blootstelling bij aanstaande moeders te kunnen verbeteren door het verkrijgen van meer informatie met betrekking tot d emate en de momenten van verandering in consumptie van cafeïne vanaf het begin van de zwangerschap.

Koffie en zwangerschapsdiabetes

Zwangerschapsdiabetes (of zwangerschapsdiabetes mellitus, GDM) is een aandoening waarbij vrouwen zonder eerder gediagnosticeerde diabetes een hoge bloedsuikerspiegel vertonen tijdens de zwangerschap (vooral tijdens hun derde trimester).

Een cohortstudie met 71,239 vrouwen, die deelnemen aan de Deense Nationale Birth Cohort, onderzocht de relatie tussen koffie- en theeconsumptie in het eerste trimester en het risico op het ontwikkelen van zwangerschapsdiabetes mellitus (GDM). Koffie- of thee-inname werd gerapporteerd bij 81,2% van de vrouwen (n = 57 882). In totaal kreeg 1,3% (n = 912) van de zwangerschappen te maken met GDM; onder niet-koffiedrinkers was dat 1,5% van de zwangerschappen. Na het corrigeren op leeftijd, sociaal-economische status, pariteit, BMI (body mass index) van voor de zwangerschap, roken en de inname van cola, werd een beschermend, maar niet-significant, verband gesuggereerd met een toename van koffieconsumptie (RR ≥ 8 versus 0 kopjes / dag = 0,89 [95% BI 0,64-1,25]) en thee-inname (RR ≥ 8 versus 0 kopjes / dag = 0,77 [95% BI 0,55-1,08]). De resultaten waren vergelijkbaar met die van de rokers, met uitzondering van een niet-significante 1,45-voudig verhoogd risico met ≥ 8 koffiekopjes / dag voor niet-rokers. Bij een toenemende totale cafeine-inname bleek een niet-significant verlaagd risico op zwangerschapsdiabetes. Deze resultaten suggereren dat een gematigde koffie- en theeconsumptie tijdens het eerste trimester van de zwangerschap niet wordt geassocieerd met een verhoogd risico op GDM, het kan zelfs een beschermende effect hebben (Hinkle, 2014).

Cafeïne en miskraam

De resultaten van epidemiologische studies naar cafeïneconsumptie in relatie tot het risico op een spontane abortus, zoals geëvalueerd in de reviews van Peck (Peck, 2010) en Brent (Brent, 2011), zijn niet consistent. De belangrijkste kritiek is dat de meeste studies geen rekening hebben gehouden met de complexe onderlinge relaties tussen een succesvolle zwangerschap, zwangerschapssignalen en patronen van cafeïneconsumptie.

Een onderzoek door Wen et al. (Wen, 2001) biedt tot op heden het beste bewijs van het fenomeen zwangerschapssignalen. In deze studie werd alleen een verhoogd risico op een miskraam waargenomen in gevallen waar cafeïne na het ontstaan van misselijkheid werd geconsumeerd en niet wanneer cafeïne vóór het ontstaan van misselijkheid werd geconsumeerd of onder vrouwen die geen last hadden van misselijkheid.

Een ander blijvend probleem met de validiteit van de onderzoeken naar cafeïne en miskramen is de verstorende factoren zoals roken en potentiële herinneringsvertekening. Dit is namelijk het geval in een onderzoek door Weng et al. (Weng, 2008), op basis waarvan een aantal instanties een veilige bovengrens hebben vastgesteld voor cafeïne-inname tijdens de zwangerschap. Het onderzoek kenmerkt zich door onvolledige controle op verstoring door het dagelijkse aantal gerookte sigaretten of de duur van de misselijkheid en braken (alleen ja/nee-antwoorden). Bovendien is in dit onderzoek slechts onderscheid gemaakt tussen twee niveaus van cafeïne-inname, te weten lager of hoger dan 200 mg per dag, en waren bij deze laatste groep ook zeer hoge cafeïne-innames inbegrepen.

In 2010 werd bij een Chinees case-control onderzoek (Zhang, 2010) en een kleinschalig Amerikaans prospectief cohortonderzoek (Pollack, 2010) geen verband aangetroffen tussen cafeïneconsumptie en het risico op een miskraam.

Daartegenover staat dat in een Brits onderzoek hogere cafeïne-innames in verband zijn gebracht met een verhoogd aantal miskramen laat in de zwangerschap en doodgeboorten. Het ging hierbij om lage aantallen, wat de mogelijkheid beperkte om kleinere verbanden te ontdekken en waardoor de mate van het verband niet kon worden vastgesteld (Greenwood, 2010).

De Committee Opinion van het American College of Obstetricians and Gynecologists uit 2010 meldde dat “gematigde cafeïneconsumptie (minder dan 200 mg per dag) geen rol van betekenis lijkt te spelen bij miskramen” en dat er “geen definitieve conclusie kan worden getrokken ten aanzien van de samenhang tussen hoge cafeïne-inname en miskramen” (CoP, 2010).

Cafeïne en vroeggeboorte

Grootschalige onderzoeken naar de totale cafeïne-inname melden consistent geen verhoogd risico op een bevalling vóór 37 voldragen zwangerschapsweken. Dit werd bevestigd door een meta-analyse op basis van 15 cohortstudies en 7 case-control studies, waarin geen significante associatie tussen cafeïne-inname tijdens de zwangerschap en het risico op vroeggeboorte werd gevonden (Maslova, 2010).

Daarnaast vermeldde de Committee Opinion van het American College of Obstetricians and Gynecologists (2010) dat “gematigde cafeïneconsumptie (minder dan 200 mg per dag) geen rol van betekenis lijkt te spelen bij vroeggeboorten” (CoP, 2010).

Een Poolse studie uit 2011 naar de cafeïne-inname tijdens de zwangerschap en de invloed daarvan op de zwangerschapsduur, het geboortegewicht en de Apgar-score van de pasgeborene, concludeert dat een cafeïne-inname van ≤ 300 mg per dag gedurende de zwangerschap geen invloed heeft op de zwangerschapsduur en de conditie van de pasgeborene. Zwarte thee was de belangrijkste bron van cafeïne, terwijl 26% van de vrouwen aangaf koffie gedronken te hebben tijdens de zwangerschap. Een onderschatting van de cafeïne-inname kon niet worden uitgesloten omdat de vragenlijsten werden afgenomen op de dag voor bevalling (Jarosz, 2012).


Deze informatie is bedoeld voor gezondheidsprofessionals. © 2015, Kenniscentrum Koffie en Gezondheid